Inleiding
In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de inzet van de totale arbeidscapaciteit en de daarmee samenhangende kosten. Het totaal aan kosten wordt geduid als onze budgettaire kader arbeidscapaciteit. Het budgettaire kader arbeidscapaciteit bestaat uit vaste loonkosten personeel, inhuur van externen en UWV/detacheringen.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de samenstelling en de omvang van de benodigde arbeidskosten, bestaande uit:
a. loonkosten personeel (formatie) van de provincie Zuid-Holland;
b. kosten voor de inhuur van externen.
c. kosten en baten uit detacheringen en het UWV
Totaalbeeld arbeidskosten
Totaalbeeld arbeidskosten
Omschrijving | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Begroting | Na VJN | Na NJN | Begroting | Na VJN | Na NJN | Begroting | Na VJN | Na NJN | Begroting | Na VJN | Na NJN | |
A. Loonkosten formatie | 203,0 | 217,0 | 230,3 | 200,3 | 208,5 | 229,7 | 189,3 | 197,9 | 223,1 | 187,0 | 195,5 | 219,4 |
B. Kosten voor inhuur van externen | 30,0 | 33,3 | 41,5 | 25,2 | 27,8 | 29,5 | 16,1 | 18,5 | 19,2 | 14,2 | 13,5 | 16,3 |
C. UWV / Detacheringen | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 | -1,5 |
Totaal arbeidskosten | 231,5 | 248,8 | 270,3 | 224,0 | 234,9 | 257,7 | 203,9 | 215,0 | 240,8 | 199,7 | 207,5 | 234,3 |
Percentage inhuur | 13% | 13% | 15% | 11% | 12% | 11% | 8% | 13% | 8% | 13% | 12% | 7% |
In bovenstaande tabel is het begrote bedrag van het totale budgettaire kader arbeidscapaciteit opgenomen, onderverdeeld naar de 3 eerdergenoemde categorieën. Deze bedragen zijn als volgt tot stand gekomen.
In het kader van ‘Realistisch Begroten’ hetgeen in 2025 is ingezet, is geanalyseerd wat de gevolgen zijn van het actualiseren van het budget voor arbeidscapaciteit op basis van de meest recente inzichten. Daarbij is gekeken naar de daadwerkelijke relatieve schaalpositie (RSP), de verwachte vacature stand, de variabele kosten en de kosten van externe inhuur.
Bij het opstellen van de Voorjaarsnota 2026 is het kader voor realistisch begroten achteraf bezien te scherp ingezet. Inmiddels is de realisatiekracht ten aanzien van het invullen van vacatures toegenomen. Daarom is de eerder gehanteerde aanname van gemiddeld 50 onvervulde vacatures gedurende het jaar naar nul bijgesteld.
Tegelijkertijd blijkt een deel van de vacatures, met name binnen het ICT-domein, moeilijk vervulbaar. Om de continuïteit van de dienstverlening en de uitvoering van werkzaamheden te waarborgen, worden deze functies daarom tijdelijk ingevuld met extern personeel. De kosten hiervan werden traditioneel opgevangen binnen de financiële ruimte die ontstaat tussen een RSP van 100% en de daadwerkelijke (lagere) RSP. Deze financiële ruimte werd tevens gebruikt voor vervanging bij ziekte. Bij het realistisch begroten is met betrekking tot inzet van inhuur op formatie, bij vervroegd pensioen en bij langdurig ziekte rekening gehouden met dalende kosten en daarmee ook dekking voor arbeidskosten. Hierbij was ook aangegeven dat onzeker is of dit voldoende dekking biedt. Uit analyse blijkt dat deze dekking niet voldoende is.
Door de combinatie van bovenstaande factoren wordt voorgesteld om het budget voor arbeidscapaciteit gedeeltelijk bij te stellen. De besparing aangaande de aanname van 50 onvervulde vacatures wordt teruggedraaid. Tevens is aanvullende budget nodig ter dekking voor inhuur op formatie, variabele loonkosten, vervroegd pensioen en langdurige ziekte. Daarnaast zijn de budgetten voor externe inzet op onder andere exploitatie en investeringsprojecten nader geactualiseerd.
Met de voorgestelde bijstelling bij de Najaarsnota wordt de begroting in lijn gebracht met de feitelijke benodigde en ingezette personele inzet en de daarmee de verwachte samenhangende kosten. Daarmee wordt gecorrigeerd voor een aantal eerdere uitgangspunten waarmee we realistisch hebben begroot en wordt aangesloten bij de actuele realisatie en verwachtingen voor 2026.
Dit heeft geen gevolgen voor de plannen voor 2026 wat betreft het aantal mensen dat nodig is om de maatschappelijke opgaven te realiseren. We blijven sturen op het aantal fte’s in lijn met de afspraken bij Voorjaarsnota 2026.
De meerjarige ontwikkeling van de arbeidscapaciteit kent momenteel nog een aantal onzekerheden. Een deel van het vaste loonkostenbudget wordt immers gedekt uit middelen van derden. Voor 2027 zijn op dit moment nog niet alle verwachte beschikkingen vanuit onder andere het rijk ontvangen voor de gepresenteerde periode. Naar verwachting zal eind 2026 duidelijkheid komen en wordt de verwerking van deze beschikkingen meegenomen in de voorjaarsnota 2027. Dit heeft deels ook betrekking op de budgetten externe inhuur. Naast het streven om de externe inhuur te dringen, verklaart deze onzekerheid de sterk afnemende ontwikkeling van het budget externe inhuur ten opzichte van 2026.
Toelichting A. Loonkosten voor de formatie
Het budgettaire kader arbeidscapaciteit is voor 2026 aangepast. Naast de aanpassingen zoals hierboven genoemd is er een aantal veranderingen in het budget door de verwerking van een aantal reguliere mutaties.
Door verwerking van cao-2026-2028, stijging per 1 juli 2026 met 2,5%, neemt het kader arbeidscapaciteit met € 2,8 miljoen toe. Deze stijging wordt gedekt uit de bestaande middelen stelpost looncompensatie.
Het terugdraaien van de besparing 50 onvervulde vacatures zorgt voor een bijstelling van het budget van € 5,9 miljoen en aanvullend is € 4,1 miljoen nodig ter dekking van variabele loonkosten, vervroegd pensioen langdurige ziekte en dekking inhuur op formatie.
Voor de extra arbeidskosten van trainees en beleidsontwikkeling vorming training en ontwikkeling wordt € 0,5 miljoen materieel budget omgezet in arbeidskosten.
Toelichting B. Externe inhuur
Een flexibele schil is in sommige gevallen noodzakelijk voor de realisatie van onze opgaven. Bijvoorbeeld wanneer bijzonder gespecialiseerde kennis nodig is. Voordat wordt overgegaan tot het inhuren van externe medewerkers wordt een goede afweging gemaakt van de beschikbare eigen capaciteit en kennis (aanbod) en wat nodig is (vraag).
De verwachte omvang van de inhuur is vooraf niet exact te voorspellen, omdat deze deels wordt bepaald door niet direct te beïnvloeden factoren zoals de arbeidsmarkt, verloop en ziekte. Wanneer er echter extern wordt ingehuurd omdat er (tijdelijk) geen formatie kan worden aangetrokken, dan vindt de dekking plaats uit het loonkosten personeel (formatie).
Door een aantal actuele ontwikkelingen is er sprake van een verhoging in 2026 van het verwachte benodigde budget externe inhuur. De verhoging in 2026 wordt onder meer veroorzaakt door verschuivingen van budgetten van volgend jaar en verder naar dit jaar. Dit is met name veroorzaakt door veranderingen in de opgave informatietransitie. Daarnaast heeft er een grondige actualisatie plaatsgevonden op de inzet van externe inhuur in exploitatie (ZHPLG, NNN)- en investeringsprojecten (PZI). Dit heeft geleid tot omzetting van materiële budgetten naar budget voor arbeidscapaciteit voor totaal € 7,8 miljoen.
Voor inzet op werkzaamheden ter voorkoming van datalek zijn extra middelen nodig ad € 1,4 miljoen, daarnaast is de aanbesteding voor de flexibele inzet op brugbediening € 0,3 miljoen hoger dan begroot.
Toelichting C. UWV/detacheringen
Naar verwachting zijn de inkomsten op basis van historische gemiddelden € 1,5 miljoen.
Voorziening spaarverlof
Bij Jaarrekening 2025 is de voorziening spaarverlof ingesteld. Conform BBV regelgeving dient de voorziening elk jaar te worden geactualiseerd. Op basis van de huidige verlofgegevens (sparen van verlof én opnemen van gespaard verlof) zal bij najaarsnota een dotatie van € 3 miljoen plaatsvinden ten laste van de algemene middelen. Daarnaast wordt € 1,5 miljoen aan kosten ten laste van de voorziening gebracht. Per saldo betekent dit een toename van de voorziening met € 1,5 miljoen. Dit heeft geen invloed op het kader van de arbeidscapaciteit 2026.
